2. Opdracht‎ > ‎

2. Impressionistische literatuur

Impressionisme is een zeer zintuiglijke kunst, de schrijver gebruikt typisch grote hoeveelheden zintuiglijke indrukken om een bepaalde stemming weer te geven. Schrijvers gebruikten bepaalde stijlmiddelen om het zo nauwkeurig mogelijk uitbeelden van nuances, indrukken en gevoelens. Terwijl schilders kleuren gebruikten om een bepaalde sfeer weer te geven, gebruikten schrijvers bepalingen en vooral bijvoeglijke naamwoorden. Ook verzonnen impressionistische schrijvers nieuwe woorden (neologismen) zoals ‘schreeuwmonden’, ‘fladderdalen’, ‘donderratelen’, of gebruikten juist ouderwetse woorden, zoals ‘zwerk’ of ‘struweel’ (archaïsmen), om bepaalde nuances weer te geven. Verder worden impressionistische teksten gekenmerkt door synesthesie, alliteraties en enjambementen. Belangrijke Nederlandse impressionisten zijn:
  • Willem Kloos (1859-1938),
  • Herman Gorter (1864-1927),
  • Lodewijk van Deyssel (1864-1952),
  • Jacobus van Looy (1855-1930),
  • Louis Couperus (1863-1923),
  • Herman Teirlinck (1879-1967) en 
  • Stijn Streuvels (1871-1969). 
De kenmerken van de taal die impressionisten hanteren in hun proza en poëzie zijn de volgende:
  • veelvuldig gebruik van bijvoeglijke naamwoorden. 
  • gebruik van onomatopeeën (klanknabootsingen), bijvoorbeeld knisperen, ka-bónk, rètteketèt.
  • voorkomen van synesthesieën (het gelijktijdig reageren van twee zintuigen), bijvoorbeeld 'een donker geluid', 'een bittere geur'.
  • gebruik van neologismen (nieuwvormingen), bijvoorbeeld de rook "roet-rolde", de rook "scheur-vlood" door het "vlamme-schemeren" (Ary Prins).
  • in proza wordt soms de zgn. Erlebte Rede gebruikt, een mengvorm van directe en indirecte rede, bijvoorbeeld "Hij beweerde, hij zou heus wel komen".
Een kenmerk van impressionistische literatuur is het gebruik van de zgn. Erlebte rede: de tussenvorm tussen directe en indirecte rede. De woordvolgorde is gelijk aan die van de directe rede, maar de zin staat niet in de eerste, maar in de derde persoon, vaak gevolgd door een verleden tijdsvorm: Hij dacht, hij kon haar niet geloven.

Voorbeeld:
Hij zei: ‘Ik zal ook meegaan.’ (directe rede)
Hij zei dat hij ook mee zou gaan (indirecte rede)
Hij zei, hij zou ook meegaan (erlebte rede)

De Erlebte rede wordt ook duidelijk in het onderstaande citaat van Herman Robbers’ De roman van een gezin (De gelukkige familie)

‘Aan tafel viel stilte in, heel ongewoon, vaag pijnlijk al gauw, zonder reden benauwend. Rudolf alleen dorst nog luid, kwasi ongedwongen en strak-onverschillig, het een en ander te vragen. En Croes gaf wel vriendelijk antwoord, maar matter, in-eens wat onverschillig en kort, een paar woorden, telkens, tusschen twee gretige slurpen soep, - ze was best, hoor, ze smaakte hem, zei hij, ‘om over wat anders te praten.’ – Croes at wel meer zoo, ’n beetje luidruchtig, uit vormnonchalance van flink, onafhankelijk man, die wel weet hoe ’t eigenlijk hoort, maar niet geeft om fratsen.
Na de soep kwam een groote rollade. ‘Mooi, geef maar hier, Leentje!... Nee Ru, laat mij maar!’ En Croes schoot rechtop achter ’t dampende vleesch, zette met driftige snelheid twee messen tegen elkaar aan; zijn aandacht scheen dan geheel bij ’t snijden te zijn, bij ’t vleesch, dat wat rauw, bij ’t mes, dat nog te bot was; hij maakte er telkens een opmerking over. Maar er kwamen ook schampere uitroepjes los, over klanten die bij hem geweest waren. Allemaal bang!... Of de boel was verbrand!...Bespottelijk toch, zoo gauw zulke menschen een wee gevoel in hun buiken kregen!...
Later, al etend, vertelde hij ook, thans bedaarder, kwasi-terloops, alsof ’t eigenlijk niet van beteekenis was – toch mislukte nu telkens de luchtige toon – van ’t gebeurde bij ’t weggaan der acht die gewerkt hadden; morgen moest hij daar iets op verzinnen, ’t kon zoo niet weer, neen, natuurlijk dat ging niet!...’

Opdracht 2:

Beschrijf aan de hand van een aantal van bovenstaande kenmerken van impressionistische literatuur waarom onderstaande gedicht 'Mei' van Herman Gorter tot het impressionisme wordt gerekend. 

‘Maar uit den vijver vluchtte een beekje heen, 
Water louter juweelig licht, een steen, 
Een marm'ren kei in 't beddingzand, laat kwik, 
Los, zilver, dat fijn schittring geeft waar dik, 
Riviergras is gewassen. Zwaar geblaard
Staan jonge planten in de oeveraard,
Het zijn de luistraars naar het zacht geschal
Dat 't water maakt. Het springt met zwarten val
En praat en babbelt lager in de schaûw.
Klimop en varens luisteren, maar nauw
De hooge boomen, die zijn altijd vol
Van zonschijn en van wind en 's avonds dol
Van spreeuwgekwetter. Maar laat in den nacht
Is 't water hoorbaar als de boomuil lacht.’